Kansen op winstnemingen nemen toe
'De AEX Technician'
De AEX wist woensdag voor de zevende dag op rij met winst te sluiten. Met een slotkoers op 335,03 en intraday hoogste koersnotering op 336,73 test de index gisteren het 61,8% Fibonacci-retracement gerekend vanaf de top naar de bodem dit jaar.
TGB Investments: "In de regel blijven 'natuurlijke' reacties beperkt tot maximaal ca. 62% van de voorgaande beweging. Reikt de reactie verder (> 61,8% Fibonacci-retracement = 335,70) dan is een algeheel herstel naar de top op 356,58 niet langer uit te sluiten."
De AEX is dus op een zeer kritisch niveau beland in die zin, dat een verdere stijging het bearish werkschema onwaarschijnlijk(er) maakt.
TGB Investments: "Een korte termijn trading-indicator (= stochastics) raakte zwaar 'overbought', terwijl de slotkoers onder de openingskoers belandde. Dit is het spiegelbeeld van 7 juni jl. toen deze indicator juist 'oversold' raakte. Deze momenten zijn in de grafiek inzichtelijk gemaakt. Het risico van winstnemingen wordt daardoor dominanter."
Sectorfondsen krijgen de voorkeur
Beleggers blijven sceptisch wat dubbele dip betreft
Economische recessies met een 'dubbele dip' (dus W-vormig) zijn uitermate zeldzaam, met als enige onomstreden voorbeeld in de naoorlogse geschiedenis de periode 1980-1982.
Ad van Tiggelen (ING): "Toch heerst er sinds kort nervositeit op de financiële markten over het gevaar van een dubbele dip. Hoewel zo'n verloop volgens de meeste economen zeer onwaarschijnlijk is, lijken beleggers sceptisch. En als je bedenkt dat financiële markten vaak in staat zijn hun eigen economische realiteit te scheppen, is een somber beleggingsklimaat op zichzelf al riskant. In ieder geval is het gezien de grote onzekerheid raadzaam om eens naar een aantal vangnetten te kijken."
De laatste dubbele dip vond plaats toen de ontwikkelde wereld in een overgangsperiode zat tussen de inflatiegolf van de jaren zeventig en de evenwichtigere groei in de daaropvolgende decennia.
Op dit moment wordt het Westen geconfronteerd met een nieuwe overgangsperiode; de gematigde inflatie van de afgelopen decennia lijkt om te slaan in een meer deflatoire trend.
Deze overgang, die deels wordt veroorzaakt door de stevige maatregelen van diverse regeringen gericht op schuldreductie, heeft geen historisch precedent. Het is daarom verbazingwekkend dat de meeste economen er zo van overtuigd zijn dat het huidige herstel het normale patroon uit het verleden zal volgen, waarbij een opleving van de productie automatisch uitmondt in hogere consumptiegroei.
Ad van Tiggelen (ING): "Ondanks de vrees voor een dubbele dip merken we op dat de dure cyclische fondsen het in de eerste helft van 2010 over het algemeen beter deden dan de goedkope defensieve fondsen. In die laatste categorie waren vooral de rendementen op telecom- en nutsbedrijven, ondanks hun uitzonderlijk hoge dividendopbrengsten, zeer teleurstellend."
In Europa bieden bedrijven in deze twee sectoren vaak een dividendrendement tussen 6% en 8%. Dat is des te opmerkelijker als we bedenken dat deze bedrijven meestal een fatsoenlijke 'investment grade' balans hebben en daarom een rente van slechts 3,5% tot 4% op hun bedrijfsobligaties betalen. Ze bieden dus twee keer zoveel rendement op hun aandelen als op hun obligaties, een historisch ongekende situatie.
Ad van Tiggelen (ING): "De hoge dividendopbrengsten en relatief defensieve bedrijfsmodellen in deze twee sectoren moeten beleggers o.i. een vangnet kunnen bieden in geval van een dubbele dip. Maar ook bij een aanhoudend economisch herstel is het aannemelijk dat deze sectoren in staat zullen zijn op z'n minst gelijke tred te houden met de brede aandelenmarkt, gezien de toenemende aantrekkelijkheid van hun dividend in een wereld waarin inflatie en rente waarschijnlijk langere tijd op een (zeer) laag niveau blijven."
Je kunt je afvragen of de impliciete boodschap van de aandelenmarkt niet is dat het dividendbeleid van telecom- en nutsbedrijven op den duur onhoudbaar is en dat dividendverlagingen onvermijdelijk zijn.
Ad van Tiggelen (ING): "Het moet gezegd worden dat dit in bepaalde gevallen inderdaad kan gebeuren. In de nutssector lopen sommige bedrijven het risico slachtoffer te worden van overheidsmaatregelen (zoals belastingverhogingen), gericht op het helpen reduceren van de nationale schuld."
Anderzijds is het vooruitzicht voor telecombedrijven er een van slechts lage groei of zelfs nulgroei, waarbij de dalende gespreksopbrengsten mogelijk niet volledig gecompenseerd worden door de stijgende opbrengsten van 'data-activiteiten'.
Beide sectoren worden dus geconfronteerd met problemen die bij sommige bedrijven in de toekomst kunnen leiden tot het aankondigen van een dividendverlaging, een trend die echter (deels) zal worden gecompenseerd door andere bedrijven die nog steeds in staat zijn hun dividend op te schroeven.
Ad van Tiggelen (ING): "Hieruit volgt dat wij voor deze sectoren als geheel geen aanmerkelijke dividendverlagingen verwachten. De ontwikkelingen rond BP in de oliesector onderstrepen nogmaals de noodzaak van diversificatie voor beleggers. Hetzelfde kan worden gezegd over beleggingen in nuts- en telecombedrijven. Voor beleggers die in onzekere tijden posities willen innemen in deze relatief veilige toevluchtsoorden, lijkt het dan ook verstandig om sectorfondsen te overwegen."
