Blue chips krijgen weer meer aandacht van de beleggers
Trends op de beurs komen en gaan
In de tweede helft van 2009 dachten veel marktwaarnemers, waaronder wijzelf, dat 2010 een geweldig jaar voor fusies en overnames zou worden. De balansen waren tenslotte sterk, de financieringskosten laag en er waren meer dan genoeg bedrijven met aantrekkelijke vrije-cashflowrendementen.
Ad van Tiggelen (ING): "De praktijk bewees echter anders, althans in de eerste helft van 2010. m het aantal fusies en overnames, gemeten in dollars, slechts 8% toe ten opzichte van de buitengewoon magere eerste helft van 2009 (bronMergermarket)."
Waarom laten bestuurders van grote bedrijven met een goegevulde kas het geld niet rollen? En wat zijn de gevolgen voor beleggers?
Ad van Tiggelen (ING): "De meest waarschijnlijke reden voor het gebrek aan fusies en overnames is het simpele feit dat de onzekerheid over de toekomst van de economische groei in het Westen nog steeds groot is, waarschijnlijk groter in eerdere herstelperioden."
Een koele waarnemer kan natuurlijk opmerken dat deze onzekerheid ook tot uiting komt in de aantrekkelijke waardering van potentiële prooien, maar veel bedrijven betalen liever een hogere prijs in een stabiele markt dan een lagere in een omgeving waarin de vooruitzichten diffuus zijn.
Ad van Tiggelen (ING): "Een andere reden voor de teleurstellende trend bij fusies en overnames worden gevonden in de explosieve groei van de opkomende markten. Veel westerse bedrijven willen hun exposure naar groeigebieden vergroten en op dit moment is de beste manier om dat te doen het vergroten van de omzet in opkomende markten."
Vaak is het echter moeilijk om dat door middel van fusie of overname te doen, vanwege een gebrek aan geschikte kandidaten (kijkend naar de waardering en de cultuur) in de desbetreffende landen. De meeste westerse bedrijven vergroten hun aanwezigheid in de opkomende markten daarom door organische groei of door kleine overnames.
Ad van Tiggelen (ING): "Wanneer we onze aandacht verplaatsen van bedrijven naar de beurzen zien we een andere reden waarom bestuurders een negatieve prikkel kunnen hebben om hun bedrijf te laten groeien. In de afgelopen tien jaar bestond er een sterke correlatie tussen de omvang van een bedrijf en de prestaties van de aandelen: hoe groter het bedrijf, hoe slechter de koers van het aandeel zich ontwikkelde!"
Dat is niet altijd zo geweest. In de jaren negentig presteerden dgrotere bedrijven doorgaans het best, op de golven van de enorme hoeveelheden geld die naar de aandelenmarkten stroomden ('grote' aandelen) hebben veel brandstof nodig) en de noodzaak voor thuismarktbeleggers om de voortschrijdende eenwording van Europa te volgen d.m.v. brede Euportefeuilles. Dat laatste werd in veel gevallen gedaan door aandelen van de(Euro)Stoxx 50-index te kopen, waarin de grootste en meest liquide bedrijvenzijn opgenomen.
Ad van Tiggelen (ING): "Dit patroon is in het afgelopen jaar drastisch veranderd. De instroom van kapitaal in de aandelenmarkten droogde op en de herpositionering vanwege deeenwording ligt achter ons. In de neergaande markten verkochten beleggers de meest liquide namen. De grote aandelen hadden het moeilijk."
Daarnaast belegde de groeiende hedge fund-gemeenschap liever in kleinere aandelen, die beter in hun beleggingsstrategieën pasten dan de relatief onbeweeglijke reuzen.
Ad van Tiggelen (ING): "Als gevolg hiervan presteerden 'kleine' aandelen in bijna elk jaar van het afgelopdecennium beter dan de marktzwaargewichten. Beleggers weten echter: trends komen en gaan. De tijd waarin het onverstandig was om aandelen van 'supersized' bedrijven te kopen ligt waarschijnlijk achter ons. Ten slotte zien we nu een situatie waarin grote, stabiele ondernemingen meeen sterke balans aanmerkelijk goedkoper zijn en hogere dividenden uitkeren dan hun kleinere, meer riskante tegenhangers. Historisch gezien is het verschilin waardering zelden groter geweest. 'Small' mag dan 'beautiful' zijn, maar is ook relatief duur geworden. Het kan verstandig zijn om nu weer voor de ongeliefde reuzen te gaan."
